Op de eerste dag van de twaalfde maand in het twaalfde jaar richtte de HEER zich tot mij:

‘Mensenkind, hef een klaaglied aan over de farao, de koning van Egypte, en zing:

“Je waande je een leeuw onder de volken, je was als een krokodil in de zeeën. Water spoot uit je neusgaten, met je poten maakte je het water troebel, de waterstromen donker.” Dit zegt God, de HEER:

Ik zal Mijn vangnet over je uitspreiden; vele volken zullen samenstromen en je ophalen in Mijn sleepnet. Daarna gooi Ik je neer op de grond, Ik laat je achter in het open veld; alle vogels van de hemel strijken op je neer en de wilde dieren van heel de aarde doen zich aan je te goed. Je vlees laat Ik achter op de bergen, en de dalen vul Ik met je botten. De aarde zal Ik doordrenken met het bloed dat van de bergen stroomt, de beddingen van de rivieren zullen ervan overlopen. Als jouw licht gedoofd wordt, zal Ik de hemel bedekken en de sterren verduisteren; wolken zullen voor de Zon komen en het maanlicht zal niet langer schijnen. Alle lichten die boven je aan de hemel stralen zal Ik verduisteren, het zal donker zijn in je land – zo spreekt God, de HEER.

Vele volken zullen ontzet zijn als Ik je gebroken volk onder vreemde volken verspreid en naar landen breng die jij niet kent. Vele volken zullen huiveren over je lot, en als Ik Mijn zwaard voor hun ogen heen en weer zwaai zullen hun koningen beven van angst om wat jou overkomt. Op de dag van je val zal iedereen onophoudelijk voor zijn leven vrezen. Want dit zegt God, de HEER:

Het zwaard van de koning van Babylonië zal je treffen! Je volk zal Ik treffen met het zwaard van helden, helden uit het wreedste volk ter wereld. Zij zullen alles verwoesten waar Egypte trots op is:

het hele volk wordt uitgeroeid en langs de grote rivier zal Ik al het vee vernietigen; geen voet zal het water nog troebel maken, geen hoef maakt het ooit nog vuil. Daarna zal Ik het water tot rust laten komen, het zal stromen als olie – spreekt God, de HEER. Als Ik van Egypte een woestenij heb gemaakt, als het land met heel zijn rijkdom is verwoest, als Ik allen die er wonen heb gedood, dan zullen ze weten dat Ik de HEER ben.

Loading

Lees ook deze Berichten:

Ezechiël 9:1-11 1
Ezechiël 23:1-16 Ohola en Oholiba 1
Ezechiël 3:1-17 1
Ezechiël 28:16-26 2
Ezechiël 5:1-9 1
Ezechiël 13:1-13 1
Ezechiël 12:1-10 Een teken voor het opstandige vol...
Ezechiël 4:1-10 1
Ezechiël 7:1-13 Het einde komt 1
Ezechiël 16:1-13 Jeruzalems ontrouw 1
Ezechiël 6:1-10 Israël getroffen door het zwaard 1
Ezechiël 26:1-11 Profetie over Tyrus 1
Ezechiël 7:14-27 Het einde komt 2
Ezechiël 18:1-13 Wie rechtvaardig handelt, zal lev...
Ezechiël 44:1-10 Toegang tot de tempel 1
Ezechiël 37:1-14 Een dal vol beenderen 1
Ezechiël 36:1-12 1
Ezechiël 3:18-27 2
Ezechiël 12:20-28 Een teken voor het opstandige vo...
Ezechiël 47:13-23 De grenzen van het land 2
Ezechiël 19:1-14 De leeuwin en de wijnstok
Ezechiël 31:12-18 2
Ezechiël 25:10-17 Profetie tegen de volken die Isr...
Ezechiël 2:1-10
Ezechiël 41:1-12 1
Ezechiël 45:1-12 Verdeling van de grond 1
Ezechiël 33:12-21 Ieder mens naar zijn daden beoor...
Ezechiël 29:13-21 Profetie tegen Egypte 2
Ezechiël 38:1-12 Gogs leger vernietigd 1
Ezechiël 35:1-15 Profetie over het Seïrgebergte en...
Ezechiël 48:1-12 1
Ezechiël 42:1-11 De ruimten voor de priesters 1
Ezechiël 8:1-11 Visioen in de tempel van Jeruzalem...
Ezechiël 43:12-20 De verschijning van de HEER keer...
Ezechiël 29:1-12 Profetie tegen Egypte 1
Ezechiël 1:15-28 Ezechiël geroepen 2
Ezechiël 22:18-31 Oordeel over Jeruzalem 2
Ezechiël 21:29-37 Het goddelijk zwaard 3
Ezechiël 23:31-44 Ohola en Oholiba 3
Ezechiël 40:13-26 De nieuwe tempel 2
Ezechiël 47:1-12 De rivier uit de tempel 1
Ezechiël 44:11-19 Toegang tot de tempel 2
Ezechiël 38:13-23 Gogs leger vernietigd 2
Ezechiël 10:13-22 2
Ezechiël 48:13-22 2
Ezechiël 20:13-25 Israël opstandig en ontrouw 2
Ezechiël 34:11-20 De slechte herders en de goede h...
Ezechiël 34:21-31 De slechte herders en de goede h...
Ezechiël 12:11-19 Een teken voor het opstandige vo...
Ezechiël 20:26-36 Israël opstandig en ontrouw 3
Ezechiël 20:37-44 Israël opstandig en ontrouw 4
Ezechiël 36:13-25 2
Ezechiël 43:1-11 De verschijning van de HEER keert...
Ezechiël 25:1-9 Profetie tegen de volken die Israë...
Ezechiël 37:15-28 Eén God, één volk, één herder 2
Ezechiël 13:14-23 2
Ezechiël 26:12-21 Profetie over Tyrus 2
Ezechiël 40:1-12 De nieuwe tempel 1
Ezechiël 4:11-17 2
Ezechiël 5:10-17 2
Ezechiël 41:13-26 2
Ezechiël 27:1-19 1
Ezechiël 46:1-11 1
Ezechiël 16:41-51 Jeruzalems ontrouw 4
Ezechiël 27:20-36 2
Ezechiël 14:1-11 1
Ezechiël 48:23-35 3
Ezechiël 33:22-33 Ieder mens naar zijn daden beoor...
Ezechiël 39:15-29 2
Ezechiël 28:1-15 1
0Shares